ANEKDOTES



 

 VERHALEN EN ANEKDOTES
door Tom Moons

Herinneringen van onze neef  Tom Moons 1933-1945 te Haastrecht, 2e kind en oudste zoon van Niek Moons en Marie Bunnik.

"Het eerste in wat mij opkomt is dat ik mijn naam moet opschrijven, dat is Thomas Jacobus Moons. Ik ben geboren in Linschoten, wat ongeveer 10-12 mijlen ( 1 mile is ong. 1,6 km) ten noorden van Utrecht ligt, Nederland. Het was op 17 december 1933. Ik heb erover nagedacht wat voor weer het moet zijn geweest. Ik weet dat de dokter bij ons aan huis kwam, want ze gingen nooit naar het ziekenhuis. Het huis waarin ik woonde had een rieten dak. Ik weet niet precies hoe groot de kamer was, ook niet wat voor weer het was, maar ik denk dat de dokter met een slee kwam want toen ik een jaar of 6 á 8 was ging ik naar de dokter met een slee met paarden en bellen erop, ik weet niet precies hoe je dat noemt, een of ander soort slee, zoals je ziet in New York City. Dat was de dag dat ik geboren ben. Ik was toen de tweede van de familie. Mijn oudere zus, Betty, we noemden haar Betsy, was de eerste. Mijn vader had een boerderij samen met mijn moeder. Zij huurden de boerderij en we hebben een aantal foto´s van die boerderij.

Hierna volgt hoe het eraan toeging…

We verbleven daar tot 1938. Toen vond mijn vader dat we moesten verhuizen naar een grotere boerderij, vanwege de slechte tijd en de slechte economie (dertiger jaren) en dat werd Haastrecht, dat is in de richting van Rotterdam, ongeveer 7-8 mijlen van Linschoten vandaan.

Hij huurde een boerderij in Haastrecht, eerst werden de koeien daar naar het land gebracht, we konden de boerderij nog niet betrekken. Maar het kaasmaken gebeurde nog in Linschoten dus kocht mijn vader een oud model T Ford en hij molk de koeien in Haastrecht, vervolgens reed hij iedere morgen en iedere avond met de melk naar Linschoten om er daar kaas van te maken. De melkkannen stonden achterin de T Ford. Pap hield van auto’s. Hij hield altijd meer van auto´s dan van koeien. Dat was zijn ding. Jaren later in 1947 kocht hij zichzelf een Harley Davidson motor. Stiekem zou je wensen dat hij die nog zou hebben! We hadden ´m 3 jaar en later hebben we de motor ingewisseld voor een Fiat. Die verkochten we weer toen we naar de Verenigde Staten verhuizen. 

We leefden daar op een boerderij, in feite wij kinderen ´waren daar aanwezig´ en wij woonden daar van 1938 tot 1956, totdat we verhuisden naar de Verenigde Staten. Het was best een interessante tijd. Ik weet nog een hoop van alle kleine dingen die we in die tijd deden. Met mijn zussen en mijn jongere broer Jack, waarmee ik altijd problemen had omdat ik me altijd moest gedragen, want ik was de oudste. Ik werd geacht altijd lief voor hem te zijn, vandaar. Laten we beginnen met…even denken… Oh yeah…Ik herinner me dat mijn moeder mij vertelde dat, toen pap verhuisde van Linschoten naar Haastrecht, mijn grootvader Bunnik, dat dat mijn moeders naam was. Thomas Bunnik was mijn grootvaders naam van mijn moeders kant en hij bracht ons 3 koeien. Het zal me niet verbazen dat deze koeien de gehele afstand van Bodegraven naar Haastrecht moesten lopen, want in die tijd was er nog niet zoveel vervoer. Wat ze in die tijd deden is dat ze bijna alles vervoerden per boot, over alle rivieren in Holland. Dat was de normaalste zaak van de wereld. In mei 1938 zijn we daar naartoe verhuisd en Jack werd in juni geboren. De tweede zoon en we hadden 3 zussen.

Toen brak in 1940 de oorlog uit. En dat was iets. Mijn vader was dienstplichtig en werd dus gebeld dat hij moest komen opdraven. Omdat hij in ´38 of  ´39 een knieblessure had opgelopen werd hij afgekeurd, maar eerst moest hij zich laten registreren. Ik weet dat dit in Utrecht was. De trein ging van Utrecht naar Gouda, onderweg kwam de trein langs onze regio, het enige wat hij had was een oud stuk brood, niet gesneden, niet een plakje maar een stuk, waarin hij een briefje stopte waarop hij schreef: `I´ll be home tomorrow`; morgen ben ik weer thuis! De trein kwam langs een spoorweghuisje, de trein stopte er niet, dus hij gooide het stuk brood naar de conducteur die daar aan het werk was. (In die tijd moesten de spoorbomen handmatig omhoog en naar beneden gedaan worden.) Hij moest van een garnizoen in Utrecht naar een garnizoen in Gouda, de volgende dag zou hij thuis komen. Dus de conducteur bracht het stuk brood met de notitie naar onze boerderij zodat ze wisten dat hij de volgende dag thuis zou komen. Dat was natuurlijk spannend nieuws! Mijn oom, soldaat in opleiding, was op de Nederlandse eilanden, je had ongeveer 7 verschillende eilanden (hiermee wordt Zeeland bedoeld), ze verbleven daar totdat Duinkerken viel, tot het eind van de zomer of misschien zelfs het volgende jaar.

In ieder geval, dat was het begin van het jaar. Het enige wat ik me herinner is dat we soldaten in ons huis hadden. Nederlandse soldaten want ons huis was aangewezen als centraal bezettingscentrum. We hadden een heel grote voorkamer, net zo groot als ons hele huis samen. Ik schat dat het ongeveer 25….6 meter x 7 meter, dat is 18-20 bij 22-25 ft (10 feet is ruim 3 meter). 25 vierkante meter, nee…het was nóg groter dan dat! Nou ja, in ieder geval het was een aardig grote kamer dus ze konden er een hoofdkwartier van maken. Dus wij moesten naar boven, we hadden een paar kamers, daar moesten wij slapen en mijn ouders sliepen in de bijkamer denk ik, ik weet het niet, of ergens. Maar het boerenleven bleef doorgaan want dat gedeelte werd niet bezet. Maar ze brachten wel materieel binnen. We hadden zelfs een `anti-vliegtuig wapen`, achterin de tuin, het Nederlandse leger gebruikte dat, maar de oorlog was na 4 dagen over. Ik meen dat de oorlog begon op 1 mei en het eindigde op 5 mei. Toen gaven ze zich over. Dus dat was het grootste gedeelte van Holland, behalve de 7 eilanden, dat hielden ze nog een half jaar bezet. Toen het Nederlandse leger het huis verliet, hebben ze al het materieel achterin de tuin gegooid want ze wilden niet dat de Duitsers het in handen kregen.

Dus wij bleven achter met een hele berg rommel, ik bedoel, het was niet bepaald iets wat we konden gebruiken. Het enige wat mijn vader ervan gebruikte waren stalen platen. Ik weet dat nog want het was er erg modderig en mijn vader legde de platen er neer zodat je eroverheen kon rijden. Ik weet dat hij een hydraulische krik had, twee zelfs, maar ik denk dat de Duitsers die een aantal jaren later vonden en het in beslag namen.

Dus zo baanden wij een weg door de oorlogstijd, 1940-1945, met een hoop problemen en voorvallen. Vervolgens gingen de markten open, het eerst naar Duitsland want de Duitsers hielden van de Nederlandse kaas. Dus mijn vader verkocht allerlei soorten Nederlandse kaas aan hen, veel mensen vonden dat verkeerd, maar hij moest ergens geld aan verdienen om zijn familie te kunnen onderhouden. De oorlogstijd duurde lang, ik was 5, 6 jaar toen het begon en 11 toen het over was, maar ik weet nog dat de laatste 2 jaren niet zo leuk waren. We hadden de Engelse kleinere vliegtuigen en wanneer het helder weer was, waren ze de hele dag over ons huis aan het vliegen, met als doel te proberen de spoorlijn te bombarderen en dat was, even zien, nog geen kilometer van ons huis vandaan! Ze misten altijd, maar ik kan me herinneren dat ze een keer een trein bombardeerden waarbij verscheidene wagons in vlam opgingen. Om een of andere reden zaten deze wagons vol met stro. We hadden ongeveer 13 bom kraters in onze buurt, aan beide kanten van de spoorlijn. We hadden beschikking over 2 radio´s. Ik weet niet hoe hij dat altijd voor elkaar kreeg, maar op de een of andere manier had pap altijd de juiste contacten om dit soort dingen voor elkaar te krijgen. De radio´s waren al geregistreerd vóórdat de oorlog begon, omdat je luistergeld moest betalen. Het was dus geen commercieel radiostation wat geld ontvangt d.m.v. advertenties, maar je moest dus contributie betalen. Dus zodoende wist iedereen wie er een radio had. De Duitsers stelden het niet op prijs dat wij naar de Engelse berichten in de Nederlandse taal luisterden, ze noemden het radio free Europe of radio free Holland of zoiets en deden dat in het Nederlands, dus moesten we de radio afgeven. Maar gelukkig had Pap nog de oude radio, dus gaven we de oude radio. Hij moest het naar de stad brengen zodat alles goed geregistreerd werd. De meneer van de administratie, een Nederlander, wist dat het de verkeerde radio was, maar de nummers kwamen overeen en zo glipten we erdoorheen. We hielden onze prachtige grote radio, wat een veel beter geluid systeem had, en we konden ook de engelse berichten veel beter ontvangen. Maar we moesten het wel goed verbergen. We verstopten de radio tussen de beneden en bovenverdieping. De balken tussen deze verdiepingen waren 16 inch dik, waarschijnlijk al uit de tijd toen het huis werd gebouwd. Overigens, de fundering van het huis is uit 1640! Ik denk dat de boerderij toen al gevestigd was. Het was namelijk heel gebruikelijk dat de bewoners van boerderijen in de 18e en 19e eeuw rente moesten betalen aan kasteelheren, heel rijke lui. (Ik weet het woord in het Nederlands; raugh?! Ik denk dat hij hier rijk bedoelt?!…)

In Haastrecht had je een familie die 99 boerderijen bezat! Gedurende het laatste jaar van de oorlog vluchtten een hoop mensen vanuit de grote stad omdat er geen eten noch werk te vinden was. Ze deelden de huizen, sommige leefden boven of naast de dierenverblijven. Een kameraad, hij was ook van de ´achterban´ (ofwel ondergrond), kwam iedere dag bij ons thuis.

Hij was de nieuwsverspreider. Wij waren de enigen in de regio die een radio hadden en terwijl hij naar de radio luisterde schreef hij alles op wat hij hoorde. Het was altijd fascinerend om te zien dat hij kon luisteren en schrijven tegelijk! Echt heel, heel snel! Voor een elf jaar oude jongen als ik was dat ongelooflijk om te zien hoe hij dat deed. Het nieuws kwam altijd na het straatverbod, dat was na acht uur ´s avonds. Wij mochten na deze tijd de straat niet meer op! Als je een beetje bekend bent met het boerenlandschap in Nederland dan weet je dat er dijken zijn van wel 20 feet hoog. (Bijna 7 meter). Bovenop de dijk had je de straat. Op het lagere gedeelte kon je ook lopen, mensen konden je dan niet zien, maar er was wel alleen maar gras. Hij liep altijd over het lage gedeelte en zo kwam hij iedere avond thuis. En zo verkregen wij het nieuws ten tijden van de oorlog. Ik herinner me nog altijd een moment, precies wanneer weet ik niet zo goed, het was in 1943, toen ze voor het eerst landden in Sicilië. Er was bij ons thuis een timmerman aan het werk en hij tekende een hele kaart op de muur van Italië, hij vertelde erbij dat `ze` (de Engelsen) daar naar binnen waren gedrongen, iedereen luisterde gespannen ook al was het duizenden mijlen bij ons vandaan. Maar we dachten dat er eindelijk een voet aan de grond was verkregen om de Duitsers te verslaan. Haal de Nazi´s bij ons vandaan! De oorlog zette voort. Nog een gebeurtenis was dat er een onderduiker bij ons zat ondergedoken. Hij had geen papieren. Dus wij voorzagen hem van eten en hij werkte bij ons op de boerderij. En je weet het, mensen in de buurt wisten het, maar we hielden het allemaal stil. Er waren een aantal mensen die partij kozen voor de Nazi´s, dus daar moest je erg goed voor uitkijken. Ze woonden in onze buurt en wanneer ze kwamen moest je altijd voorzichtig zijn met wat je zei. Ze waren boeren net zoals wij. Ik herinner me nog één van hen speciaal, hij woonde ong. 20 boerderijen verderop dus we moesten hem goed in de gaten houden. Weet je, toen de oorlog over was, iedereen die ´vriendjes´ was met de Duitsers, die hadden geen bezittingen meer. Er waren 2 boeren in onze buurt, (er waren wel 200 boerderijen in een lange rij), die met de Duitsers sympathiseerden, uiteindelijk hebben zij allebei hun boerderij moeten verkopen.

In de stal boven de koeien hadden we een grote zolder waar het in de winter lekker warm was. Er waren 3 slaapplaatsen, 2 ervan waren voor de knechten en een voor mij en mijn broer. Mij was geleerd, toen ik 10 of 11 jaar oud was, dat wanneer er een inval van de Nazi´s was, wanneer zij dus plotseling binnenvielen om alles te controleren op dingen en illegale mensen, dat ik in het bed van onze onderduiker zou springen zodat ze geen leeg, warm bed konden aantreffen. Een leeg bed wat warm was…Een keer gebeurde het. Maar het was een vals alarm. Gelukkig is het verder nooit gebeurd. Een andere keer verwachtten we een inval en toen hield hij zich in het weiland, tussen het hooi verborgen. We hebben hem daar toen voedsel gebracht.

Een keer, we hadden een rivier ongeveer 180 meter aan de andere kant van het huis, begonnen de Engelsen met het beschieten van schepen. Er werd een keer een schip geraakt en ik weet nog dat ik een bloedende vrouw zag. Altijd als ze ons gebied bombardeerden, werd de spoorlijn niet geraakt, maar altijd voelde je de ramen trillen, er is zelfs een keer een raam gebroken. Dat was niet plezierig weet je, we moesten dan weer naar de kelder, de kleine kinderen huilden.

Ik herinner me een keer dat ze voor mijn vader kwamen, gelukkig, om één of andere reden was hij er niet, en mijn moeder was brood in plakjes aan het snijden en gedurende de oorlog was ze altijd op zoek naar een goed mes die ze nooit vond. Uiteindelijk was er toen iemand die haar een goed mes gaf, bijna 60 cm lang, niet echt een manier om goed brood mee te snijden maar een ander mes had ze niet. Toen de Duitse soldaten binnen kwamen en naar Pap vroegen en mijn moeder dat mes omhoog hield, niet om ze te mishandelen maar ze had op dat moment gewoon het mes in haar hand, schudden de soldaten hun hoofd en vertrokken…Dat was grappig, ze heeft er nog vaak om gelachen. Maar eigenlijk was het niet zo grappig in die tijd, je moet weten dat ze je zomaar, zonder reden, in de gevangenis gooiden, de omstandigheden waren erg slecht. Ik heb een keer een kameraad uit het concentratiekamp zien komen, ik zie hem nog in de deuropening staan, zo mager als een lat met ingevallen kaken. We hadden verscheidene keren, de Duitsers hadden onze scholen ook in bezetting genomen, dat we les hadden op allerlei plekken in het dorp zoals in fabrieken. Soms was het daar ontzettend koud. De laatste winter zijn we helemaal niet naar school gegaan, er was geen elektriciteit en geen water. Zo ging dat toen.

Laat me nu vertellen over hoe we de vakanties doorbrachten. Het is interessant hoe belangrijk de vakanties voor ons waren. Zowel voor als tijdens de oorlog was er wel wat entertainment, maar het grootste entertainment was dat pap op de piano speelde. We hadden een huishoudster, dat was normaal in die tijd, die ontzettend muzikaal was. En pap was ook muzikaal. Dus wanneer zij naar de radio luisterde nam zij een liedje in haar op, wij wilden in die tijd geen geld uitgeven aan geschreven muziek op papier, een paar keer totdat ze het liedje helemaal uit haar hoofd kende, pap ging dan pingelen op de piano en schreef de noten op, welke noten hij ook vond, en dan had hij een soort van melodie en met wat helpende handen speelde hij het nummer en het klonk goed. Dus zo leerde hij de liedjes van de radio. Betty en Mary, beiden goede zangeressen, konden in een soort van harmonie zingen, Betty kon jodelen. Dus zo zongen we met z´n allen al deze liedjes wanneer er familie of vrienden op bezoek kwamen. Dus zo deden we dat.

De meest boeiende tijd, ik herinner me dat heel goed, was de tijd rond Kerstmis. Heel gebruikelijk was de ochtendmis, die om 3.00 uur begon! De mis duurde helemaal tot 5.30. Er werd veel gezongen en er was een koor. Wanneer we thuis kwamen gingen we eerst een half uur gezamenlijk zingen. Wat fijn was was dat de koeien droog stonden en dus we hoefden niet te melken, alleen maar te voeren. Dus een echt drukke tijd was het niet, in de winter. Er waren veel festiviteiten voor de jongeren, de ouderen gingen op visite en er werd geschaatst, veel was er niet te doen. Het enige is dat er hout gekapt werd, om te stoken. Even terug naar Kerstmis, we kwamen dus thuis om half 6 in de morgen, er werd gezongen bij de piano. De huishoudster of de babysitster hadden de kleintjes uit bed gehaald en gewassen, kerstkleding aangetrokken en wachtten op de ouders die thuis kwamen met de grotere kinderen en de knechten. Dan was er het grote diner. Dat was het leukste van alles. Groot diner en een oh groot ontbijt, geweldig ontbijt. Krentenbrood en anijszaad op witbrood. Normaal aten we altijd bruin brood want dat was goedkoper, nu kregen we witbrood. En  krentenbrood, Nederlands beschuit en alles wat we maar een keer per jaar te eten kregen, dus dat was te gek.

Daarna speelden we met ons speelgoed, ik weet dat ik leuk speelgoed had. Eigenlijk had ik toen al een rectorset, yeah…ik had toen al een rectorset (priesterset).  Ik ben er haast zeker van dat ik het had, maar ik herinner me het niet zo goed meer. Dat was de Kersttijd.

Nog een leuke tijd was de zomer. Mijn vaders verjaardag was in september en ze kwamen allemaal naar zijn verjaardag. Ooms en tantes, jongen wat was er veel te eten. De volgende dag was misschien wel nóg beter want dan kregen wij al het eten wat er over was. Er was pudding en vlees en lekker gebakken aardappels. Yeah.

Op zondagmiddag was het de middag om stout te zijn. De traditie was dat op zondagmiddag iedereen een paar uur ging slapen, 2 of 3 uur. Ik heb het nu over de zomertijd. Maar wij kinderen gingen niet naar bed, we werden geacht braaf te zijn en geen streken uit te halen.

Als ik het zo achteraf bekijk lijkt het erop dat we iedere zondag wel íets verkeerds bedachten.

Dus op een zondag hadden we een aantal bootjes en konden we daarmee spelen, dus we stopten alle kinderen in de bootjes en gingen dan lekker roeien. Eén streek was dat we naar de spoorweg voeren, hoe we daar kwamen weet ik niet precies, het was best ver weg. We gingen naar de spoorweg met de spoorbrug, naast ons land, en met de bootjes gingen we dan onder de brug. Ik probeerde altijd uit te vinden wanneer de trein kwam en dan zorgde ik dat we precies onder de brug waren met de bootjes en alle kinderen begonnen dan te gillen want er was dan een hels kabaal en ze wisten niet wat er aan de hand was. Het was als een bombardement, boem boem boem boven je hoofd. Maar het was entertainment voor ons grote jongens, wisten wij veel dat we ´petch koppa` waren. (Ik denk dat Tom hiermee ´pestkoppen´ bedoelt!!)

We probeerden ook altijd slootje te springen met stokken zoals bij polsstokspringen. We hadden niet echt een goede stok om mee te springen. Ja, en soms kwam het dan wel eens voor dat je sprong en dat je precies in het midden stil kwam `te staan` en dan viel je precies recht naar beneden in de sloot en dan was je kletsnat, maar dat was geen probleem, we gingen gewoon door. Dat is wat we deden. Eén keer dacht ik slim te zijn. Dat was toen pap al een tractor had, dus dat was in de zomer van ´47 of ´48. Pap had een stuk land waar we niet met de tractor konden komen en wanneer er dus werk verricht moest worden op dat stuk land, moest dat met de hand gebeuren. En ik dacht eens slim te zijn…kom, laten we de tractor op de boot rijden…dan varen we de tractor over,…wanneer pap dan opstaat (het was….zondagmiddag!)…is de tractor aan de overkant en klaar voor het werk van maandag. Maar de tractor was te zwaar voor de boot…en de boot begon te zinken. Ik heb geen idee hoe we in hemelsnaam de tractor weer van de boot hebben gekregen, maar het viel in ieder geval niet in het water. We kregen ´m er weer uit. Toen, de volgende dag, zei mijn vader ``hoe komt al die modder daar en al dat…``en hoogstwaarschijnlijk werd ik zo rood als een biet, ik weet niet meer of hij me nog meer vragen stelde of dat hij het liet zitten.

Dit verhaal stamt hoofdzakelijk uit 1944. De winter van 1944, toen we alle vernietiging van bombardementen van de Duitse dorpen en steden over ons heen kregen. Ik zal nooit vergeten hoe we ´s nachts naar buiten keken en de lucht helemaal vol met vliegtuigen was en zoemende geluiden precies daar in de richting van Duitsland over ons land. Het was de strijd toen de Duitsers probeerden een tegen-aanval in te zetten en een poging deden de geallieerde lijnen in de Ardennen te breken. Ze hadden alle macht van de Russen om een doorbraak te maken en forceerden de geallieerden tot meewerken. Ze probeerden Antwerpen te bombarderen om het terug te winnen. Dus daar waren de troepen vliegtuigen, laagvliegend zodat ze niet opgespoord konden worden door de radar, over ons land en over ons huis. Het was best beangstigend omdat ze zo groot waren en zoveel lawaai maakten. Uiteindelijk hebben ze er weinig mee bereikt en als je de statistieken mag geloven zijn ze de helft van hun vliegtuigen kwijtgeraakt. Een aantal geschiedenisboeken en verhalen die ik later heb gelezen bevestigen dit.

Ik kan me nog herinneren dat we in de winter van 1943 of ´44 aan het schaatsen waren op de slootjes bij ons achter, terwijl de Engelsen met hun vliegtuigen over ons heen ´doken´. Wij stonden doodsangsten uit omdat we niet wisten wat er gebeurde, maar de Engelsen wilden alleen maar kijken wat we aan het doen waren, ze waren verrast want in Engeland vroor het nooit hard genoeg om op de slootjes te kunnen schaatsen. Dus dat was een interessante happening in ´44. Toch niet in ´43 bedenk ik me nu, want toen hadden ze nog niet genoeg vliegtuigen om zoveel te kunnen bombarderen.

De eerste keer dat ons huis ´in beslag werd genomen´ was in 1940, door het Nederlandse leger. Waarschijnlijk was het maar voor een paar dagen of een week, want zo lang duurde de oorlog in 1940. In 1944 werd ons huis voor de tweede keer bezet, dit keer door het Duitse leger. Ze kwamen en deelden mede: ´´Uw  huis staat op de kaart om te dienen als ´hoofdkwartier´´, dus dat is wat ze deden. De laatste keer ontvluchtten ze Frankrijk wanneer de geallieerde troepen in Frankrijk geland waren. Ze boekten snel succes. Ze hadden goed materieel en zelfs granen voor de paarden in hun wagens. Ik weet niet waar ze dat vandaan haalden, maar mijn vader dacht: ´´Hé, dat heb ik ook nodig! Dus hij verwisselde een zak graan voor een zak hooi, dat zag er hetzelfde uit! Ik was er niet bij betrokken, maar ik weet dat mijn broer dat wel was! Mijn vader stuurde mijn broer er wel eens opuit om zaken te regelen, maar dat viel meestal niet op. Hij was een beetje de verkenner. Nadat hij mijn moeder erover had verteld was zij zo ongerust omdat ze bang was dat de Duitsers terug zouden komen. Men wist, dat wanneer er iets van het leger werd gestolen en ze daarachter kwamen, dat het met je was gebeurd. Maar er gebeurde niets. Onze lieve Heer stond ons bij.

Rond D-day (6 juni 1944) gingen de Duitsers alle huizen af om al het materieel wat wielen had mee te nemen, verzameld in het dorpscentrum. We hoorden dat ze kwamen, (op de een of andere manier was er altijd wel communicatie) en wij hadden een paar fietsen. Dus wij hoorden dat ze kwamen en gaven de knecht de opdracht de fietsen in de sloot te gooien. Toen ze kwamen lagen de fietsen dus onder water, wij hadden dus geen fietsen die ze konden meenemen. Ik weet niet hoe we eronderuit kwamen omdat ze meestal er wel achter kwamen of je fietsen had of niet. Maar bij ons viel er niets te halen. Toen ze weer weg waren hebben we de fietsen weer uit het water gevist. 

In die tijd moeten we ook aardappels geteeld hebben, of misschien gekocht, in ieder geval hadden we veel aardappels nodig voor de winter, maar zie, we hadden de aardappelen niet dicht genoeg bij het huis gerooid en toen heeft iemand ze ´s nachts een keer gestolen. Alles. Onze ´familie´ bestond uit twee onderduikers, 10 kinderen, vader en moeder, een knecht en een huishoudster. Dus we moesten 16 mensen van eten voorzien en nu hadden we geen aardappel meer voor de gehele komende winter. We hadden familie wonen in de omgeving van Utrecht, op ongeveer 40 of  50 kilometer afstand, die graan hadden. Dus gingen we op onderzoek uit om te kijken hoe we wat graan konden regelen, maar als je toen geen vergunning had om voedsel of iets dergelijks te verschepen, kon je nog geen mijl iets verplaatsen. Voor alles had je een vergunning nodig of anders werd het in beslag genomen door de Duitsers. Dus ik weet het niet precies, mijn vader ging naar mijn ooms om graan te halen. De Duitsers wilden zijn wagen hebben, maar mijn oom was zo lief om een van zijn wagens af te staan zodat mijn vader zijn wagen kon houden en toch stiekem het graan kon vervoeren, verstopt onder stro en een paar andere dingen zodat het niet ontdekt zou worden. Hij zei dat de hele wagen vol met stro was en zo smokkelde hij het graan naar onze boerderij. Dat was echt geluk. Maar hij moest er wel 40 á 50 km voor reizen om het te halen. En alles moest overdag gebeuren omdat je ´s nachts niet kon reizen. Ik denk dat hij het binnen een dag had gehaald. Dus dat was goed, we hadden nu in ieder geval graan voor de winter. Maar we probeerden ook pannenkoeken te maken van suikerbieten. Zoals we kaas raspten, raspten we ook de suikerbieten. Moeder bakte het dan in iets en probeerde er dan pannenkoeken van te maken, maar het was zo bitter als het maar zijn kon. Het was oneetbaar dus hebben we dat maar 1 keer gedaan. T werkte niet. We aten in die tijd veel brood. `s Morgens aten we sneden brood en in de middag aardappels. Die ene winter toen we geen aardappels hadden weet ik niet meer hoe we dat deden, misschien kochten ze aardappels. Wat ik nog wel weet is dat we één jaar zowel ´s middags als ´s avonds aardappelen aten. Oh, dat was net na de oorlog. Er was een tekort aan voedsel en toen hebben we veel aardappels moeten eten. Daarna kon ik 20 jaar lang geen aardappel meer zien omdat ik toen zoveel aardappels heb moeten eten!

Het laatste jaar van de oorlog was er een dusdanig voedseltekort dat er ook geen voedsel voor de dieren was. Dus alle restanten van kool en aardappelschillen werd in zakken naar onze boerderij gebracht voor de koeien, de mensen die dat deden kregen dan wat melk. Ze moesten er wel voor betalen, ongeveer 20 cent voor een halve liter en dat was heel veel geld in die tijd. Soms stonden er 30 mensen in de rij te wachten voor een ½ liter melk, te bedenken dat ze er 5, 10 of wel 15 mijlen voor moesten afleggen! En dat voor een ½ liter melk! Vervolgens gingen ze dan naar de volgende boerderij voor ook een ½ liter, en weer naar de volgende omdat iedere boer iedereen een klein beetje gaf! We probeerden ongeveer de helft van de melk te verkopen aan mensen die het nodig hadden, maar de Duitsers mochten er niet achter komen om de eenvoudige reden dat we verplicht waren melk te leveren aan de Duitsers omdat ze wisten dat wij zoveel koeien hadden. Ze wisten niet precies hoeveel melk de koeien gaven, maar wel ongeveer. Dus als wij te weinig zouden geven werden we gestraft! Maar een gedeelte van de mensen uit de stad konden wij van melk voorzien. We moesten allemaal meehelpen, mijn zus nam de fles en de ander lepelde de melk dan met een pollepel uit de melkkan. Soms was het heel droevig, ze moeten zich echt verdrietig hebben gevoeld, want op een gegeven moment was de melkkan leeg en stonden er nog steeds mensen in de rij te wachten. Deze mensen kregen dus niets en probeerden het dan bij iemand anders.

Een keer heeft mijn oudste zus een ongeluk gehad, met de deksel van de melkkan. De deksel moest je van de melkkan aftrekken en mijn zus zat daar met haar gezicht te dicht op. Met als gevolg een grote jaap in haar hoofd. Er waren wel 5 of  6 hechtingen nodig om het te hechten!

Na de oorlog werd het een betere tijd. Zo voelde het tenminste omdat het voor mijn gevoel niet slechter kon gaan als de laatste jaren tijdens de oorlog. Ik herinner me een aantal dagen ná de oorlog. Tijdens de oorlog mocht er geen muziek gespeeld worden, er werd nooit muziek gespeeld in het dorp. Dus direct na de oorlog was er een wagen met 10 kameraden, zittend met trombones en blaasinstrumenten en bij iedere boerderij kwamen ze dan muziek spelen, speciale muziek en natuurlijk ons nationale volkslied. Dat was zo´n gek gevoel. 5 jaar lang waren we in de macht van de Duitsers en nu konden we eindelijk ons eigen volkslied weer spelen en zingen. Ongelooflijk! De radio kon weer aan, gelukkig hadden we die nog, die hebben ze nooit gevonden! Daarna hebben we veel gezongen en werkten we hard mee op de boerderij, er was namelijk een enorm voedseltekort. Ik weet dat er prijzenafspraken gemaakt werden. Mijn vader hield veel varkens voor in die tijd. Toen ik een 12 jarige jongen was moest ik ´s avonds waken bij de aanstaande-moeder-varkens. Ineens moesten er 4  zeugen tegelijk biggen dus ik sprong van de ene naar de andere kant om alle biggetjes op te kunnen vangen. En na een paar uur riep ik dan mijn pa, maar die moest natuurlijk de koeien melken. Overdag kon ik dan naar bed, het was zomer denk ik want ik hoefde niet naar school. Een keer hadden we bij één varken 18 biggen! We wisten niet wat we daarmee moesten beginnen, je begrijpt, er waren geen 18 ´flesuitgangen´ (bottle outlets!). Dus werden de biggetjes in twee groepen gedeeld, twee uur voor biggen groep 1 en vervolgens 2 uur voor biggen groep 2. Ze groeiden niet zo snel maar nu waren ze in ieder geval niet constant aan het vechten om een speen. De meesten hebben we zo grootgebracht. Mijn vader kocht havermeel, gewoon havermeel wat wij ook kunnen eten en daarvan groeiden ze zo snel, dat niemand begreep dat ze zo goed groeiden. Maar het was illegaal omdat havermeel bedoeld was voor mensen en niet voor dieren. Dus kreeg hij een boete en mocht het niet meer doen, maar op de een of andere manier vond hij toch steeds weer mogelijkheden om dingen te doen. Zo werden de varkens groot gebracht. Het was een goed inkomen. De prijzen van kaas werden streng bepaald en je kon er weinig mee verdienen, maar de varkensprijzen waren vrij en hij had goede faciliteiten en heeft een hoop varkens gefokt. Dit was het hoofdinkomen om onze familie te kunnen onderhouden. Ik denk niet dat we spaargeld hadden want Louis werd geboren in ´44, toen kwam Leo na de oorlog en Peggy werd in ´56 geboren. Ik weet nog dat de handelaar, die kwam wanneer er 10 of 12 varkens klaar waren voor de verkoop, de varkens op kwam halen en dan vervolgens naar de markt ging en ze daar weer doorverkocht. Maar thuis werden de varkens via ´´handje klap´´ per stuk verkocht. Ze klapten net zo lang totdat ze het eens waren over de prijs en dan was het varken verkocht. Geen papierwerk, niets. Dan (en ik weet dat hij hierdoor het geld verdiende) bespraken ze samen of het geregistreerd werd, zullen we het registreren? Nee? Prima, het werd niet geregistreerd en hierdoor hoefde er ook geen belasting betaald te worden. Dus het was een mondelinge overeenkomst.

In de herfst van 1946 ging ik naar de kweekschool, een soort kostschool. Het was ongeveer 2 mijlen van hier tot aan de overkant van de Ijssel. Dat was ook de rivier waar ik het over had toen ze de schepen beschoten tijdens de oorlog. Ik bleef daar. Er heerste een situatie waarbij het normaal was dat je daar een heel jaar verbleef, je komt niet thuis tot Juni. Zo ging dat in die tijd. Ze hebben dat pas rond de 60-er jaren veranderd, maar toen was ik al van school af. Dus in 1946 ben ik daar naar kostschool gegaan en heb daar voor 3 of 4 jaar gestudeerd. Tot in 1950, ik denk dat ik slaapproblemen had, een soort zenuwinzinking, dus men dacht dat het beste voor mij was, en ik heb altijd graag met mijn handen willen werken, dat ik niet meer zoveel hoefde te studeren, en ik wilde nog steeds iets met godsdienst doen. Dus ik dacht dan word ik broeder en ga ik werken als timmerman of iets doen met metaal. Dus werd ik naar een vakschool gestuurd wat geweldig was en ik heb daar een hoop geleerd. Het was wel 100 mijlen van huis vandaan dus ging ik er met de trein naartoe. Onze kerkelijke gemeente had niet zo´n school dus ging ik naar een vakschool die werd gerund door broeders, een prachtige school met draaibanken en lasapparatuur en al dat soort dingen meer en vanaf het moment dat ik ouder werd, werd ik goed in wiskunde.

Einde tape.

 



 © Jeanette Berkhof 2000-2008